De familie Schaap, 't Dal 1

Slager Levie Salomon Schaap werd geboren op 6 november 1887 in Vriezenveen. Hij vestigde zich in het begin van de twintigste eeuw in Aalten, waar hij op 9 juni 1916 in het huwelijk trad met Ella Philips, geboren op 25 februari 1886 in Winterswijk.

Aanvankelijk had de familie Schaap een slagerij aan de Hoogestraat 41, in 1937 verhuisden zij naar ’t Dal 8 (door omnummering tegenwoordig: ’t Dal 1). In datzelfde jaar kreeg Levie toestemming van het ministerie van Economische Zaken om een slagerijbedrijf te beginnen in het perceel Industriestraat 4, in de nabijheid van de toen ook al bestaande kalverslachterij.

Levie en Ella hadden een dochter en een zoon. De dochter, Serafina, werd geboren op 18 juni 1917. Op twintigjarige leeftijd vertrok zij als fabrieksarbeidster naar Amsterdam; via Amersfoort verdween ze naar een onbekende plaats in Centraal Europa, waar ze stierf op 30 september 1944.

De zoon, Eliazar Hars, geboren op 23 juli 1920, werd evenals zijn vader slager, maar ging al op 18-jarige leeftijd elders werken. Hij kwam in een Joods werkkamp terecht. Deze werkkampen waren aanvankelijk bedoeld voor de talloze werklozen die door de crisisjaren hun werk verloren hadden. Op 10 oktober 1941 werd door de Duitse rijkscommissaris Artur Seyss-Inquart besloten om deze kampen voor joodse mannen te gebruiken. Deze waren in het bijzonder door werkloosheid getroffen omdat ze uit hun banen werden ontslagen vanwege hun afkomst. De kampen bevonden zich voornamelijk in het noorden en oosten van ons land. Bij sommige kampen wordt aangegeven waar de tewerkgestelden vandaan kwamen. Vermoedelijk hebben Eliazar, Wijnand Andriesse en misschien ook Albert Lewy in hetzelfde kamp gezeten, namelijk Ruinen in Drenthe, waarvan bekend is dat er mannen uit de Achterhoek heen gestuurd werden. Vanuit het werkkamp is Eliazar naar Auschwitz overgebracht, waar hij op 28 februari 1943 om het leven is gebracht, nog geen 23 jaar oud.

De ouders, Levie en Ella, behoorden tot de groep Joodse inwoners van Aalten die als laatsten naar Vught vertrokken. Via Westerbork zijn ze naar Sobibor getransporteerd, waar ze beiden op 28 april 1943 zijn vermoord, respectievelijk 55 en 57 jaar oud.